Blogs

De Rijkswet Che is van tafel; zal het recht zegevieren?

Proficiat aan kabinet-Rhuggenaath. Het onrechtstatelijke en ondemocratische consensusrijkswetsvoorstel, Rijkswet Caribisch Hervormingsentiteit (Che), is van tafel. Op tafel ligt een nieuw conceptvoorstel; eentje dat beoogt het ‘Caribisch Orgaan voor Hervorming en Ontwikkeling’ (COHO) in het leven te roepen. Anders dan de Che, zal het COHO geen wetgevende noch uitvoeringstaken van Curaçao overnemen, aldus een Statenbrief van premier Eugene Rhuggenaath.

Dat er op 2 november 2020 een politiek acceptabel akkoord gesloten is tussen Curaçao en Nederland, met betrekking tot de voorwaarden verbonden aan derde tranche liquiditeitssteun aan Curaçao in het kader van de coronacrisis, is niet in geringe mate te danken aan coalitiepartner minister Steven Martina (Economische Ontwikkeling). Martina’s politieke-partij, de MAN, heeft zich immers resoluut tegen consensusrijkwetten, zoals deze de laatste decennia opgedrongen zijn. Het fenomeen van asymmetrische, niet-wederzijds opzegbare consensusrijkswetten dreigde namelijk een gewoonte te worden. De jongste consensusrijkwetten, met name de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten  (Rft), hebben namelijk een asymmetrisch karakter: ze gelden uitsluitend voor Caribische Koninkrijkslanden en zijn (formeel) slechts te beëindigen bij koninklijk besluit (lees: de facto met medewerking van Nederland). De MAN is dan ook niet akkoord gegaan dan nadat, in de woorden van Martina, “de angel van ondermijning van de autonomie is weggehaald” (‘Politiek akkoord ondertekend; Ruggenaath: nu werk aan de winkel’, Amigoe 2 november 2020 p. 1).

De gebreken van de Che

In eerdere bijdragen (‘Rekolonisatie van de eilanden; met de Knopse slag’ en ‘Ongewenste zwangerschap van de prenatale CHE; Vroegtijdig beëindigen?’, Amigoe 28 augustus 2020, p. 8.) heb ik al aangegeven wat er zoal, volgens mij, politiek en juridisch niet klopte aan het nu losgelaten ontwerprijkswet Rijkswet Che. Kort gezegd kwam het erop neer dat er aan Nederlandse zijde geen rekening werd gehouden met de constitutioneel verankerde controlerende taken van de Staten en de regering als respectievelijk het vertegenwoordigende en uitvoerende lichaam van Curaçao. De, qua opzet en ledensamenstelling gedomineerde, Che zou eenzijdig de gewenste hervormingen vaststellen in het zogenaamde Landspakket, dat vervolgens in de reguliere Landsbegroting verwerkt zou worden. De begroting werd geacht bij voorbaat door de Staten geaccepteerd te worden, waardoor het budgetrecht effectief uitgeschakeld zou worden. Bovendien zou de Che ook de hervormingen eigenhandig doorvoeren, daarbij ondersteund door de betrokken ministeries. Kortom: zij zou als het ware van twee walletjes eten, oftewel e mes ta toka, e mes ta baila. Erger nog, zo’n gang van zaken zou de trias politica op onaanvaardbare wijze doorkruisen, én het democratisch proces grotendeels ondermijnen.

Politiek versus staatsrecht

Op de op 10 juli 2020 in de Koninkrijksministerraad voorgestelde conceptconsensusrijkswet stond politiek Willenstad dus, gezien bovenstaande, niet te wachten. Ik heb waardering voor het feit dat de voorgestelde Rijkswet COHO het product is van een politieke compromis tussen staatsecretaris van Koninkrijksrelaties Raymond Knops en het kabinet-Rhuggenaath. Het akkoord komt bovendien net op tijd, de landskas is per 31 oktober 2020 minder dan nul met een negatief saldo van 135,8 miljoen gulden (circa 68 miljoen euro).

Toch kan ik niet nalaten op enkele staatsrechtelijke bezwaren op het voorgestelde COHO te wijzen. Eerst de positieve kanten: het Landspakket wordt niet meer bij consensusrijkswet geregeld maar via een aparte, ‘gewone’ onderlinge regeling (art. 38 lid 1 Statuut), de Staten stellen deze zelf vast en de uitvoering komt geheel bij de Landsregering te liggen, ondersteund door het COHO. Nu de minpunten: er komt toch een extra-statutair orgaan, en wel een bij asymmetrische consensusrijkswet opgerichte, Nederlandse zelfstandige bestuursorgaan (zbo), waarvan geen van de leden door Curaçao worden benoemd.

Bijzondere gemeenschappelijk orgaan

Het COHO wordt op grond van paragraaf 3 Statuut (onderlinge bijstand, overleg en samenwerking; artt. 36-40 Statuut) bij consensusrijkswet opgericht. Paragraaf 3 Statuut handelt slechts over landsaangelegenheden waarvan de landen vinden dat die beter verwezenlijkt kunnen worden middels onderlinge regelingen (art. 38 lid 1 Statuut). Die onderlinge regelingen kunnen vervolgens de vorm van rijkswet krijgen, vandaar de term consensusrijkswet.

Wat brengt het voorgaande met zich mee? De eerste alinea van de officiële toelichting op art. 38 Statuut stelt: “ten einde de rechtseenheid ten aanzien van zodanige regelingen te verzekeren, kan het wenselijk zijn, dat zij bij een wettelijke maatregel worden vastgelegd.” In de navolgende alinea vervolgt de toelichting: “[h]et tweede lid [van art. 38 Statuut] opent hiertoe de mogelijkheid.” Consensusrijkswetten behoren dus, anders dan reguliere rijkswetten – te vinden in art. 14 Statuut –, altijd te strekken tot verzekering van rechtseenheid, en dus altijd symmetrische werking (gelijk geldigheid en reciprociteit) te hebben.

Het voorgaande betekent ook dat het COHO als bijzonder gemeenschappelijk orgaan in de zin van art. 37 lid 1 Statuut aangemerkt moet worden. Omdat heel paragraaf 3 Statuut slechts over landsaangelegenheden (van de betrokken landen) handelt, ligt in het verlengde daarvan dat in het bijzondere gemeenschappelijk orgaan dat deze landsaangelegenheden behartigt, de betrokken landen naar pariteit vertegenwoordigd moeten worden. Geen enkel lid zal echter door Willemstad benoemd worden. Weliswaar zal een van de drie leden in overleg met Willenstad door Den Haag worden benoemd, de andere twee zullen zonder overleg aantreden.

Samenvattend: ten eerste, de Rijkswet COHO is niet bedoeld om in Nederland medegelding te hebben, maar alleen om, dóór een Nederlandse zbo en de Nederlandse regering, óp Curaçao toegepast te worden – een tekortkoming, waaraan ook de Rft lijdt. Ten tweede, de leden worden niet naar pariteit benoemd.

Betere alternatieven

Het voorgaande gaat alleen over staatrechtelijke steken van de voorgestelde Rijkswet COHO. Het navolgende betreft kort drie opties die, mijns inziens, gezien hun implementatie geen extra-statutair orgaan behoeven, staatsrechtelijk zuiver zijn, en daarom te verkiezen zijn boven het huidige conceptvoorstel.

Art. 52 Statuut: De landsverordening kan… aan de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk met goedkeuring van de Koning bevoegdheden met betrekking tot landsaangelegenheden toekennen.

Alle voorgestelde bevoegdheden die aan het COHO toebedeeld zullen worden, kunnen, gezien het hier een landsverordening betreft en geen consensusrijkswet, zonder constitutionele bezwaren aan de Gouverneur toebedeeld worden. Het personeel van het ministerie van Binnenlandse Koninkrijksrelaties dat het COHO gaat ondersteunen kan ook aan de Gouverneur ter beschikking worden gesteld. Het Landspakket kan zoals al besloten, zonder problemen in een onderlinge regeling ex art. 38 lid 1 Statuut gegoten worden.

Art. 53 Statuut: Indien … Curaçao de wens daartoe te kennen [geeft], wordt het onafhankelijke toezicht op de besteding der geldmiddelen overeenkomstig de begroting door de Algemene Rekenkamer [van Nederland] uitgeoefend. In dat geval worden na overleg met de Rekenkamer bij rijkswet regelen gesteld omtrent de samenwerking tussen de Rekenkamer…

Niet alleen kan toezicht op de bestedingen van (Nederland geleende) geldmiddelen door de Nederlandse Rekenkamer uitgeoefend worden, Curaçao kan voor de gelegenheid ook leden in de Rekenkamer benoemen in lijn met art. 37 lid 1 Statuut. Iets dergelijks is – zo valt uit de officiële toelichting op art. 53 Statuut op te maken – in het verleden al gebeurd, te weten “bij wet van 7 Augustus 1953 (Stb. 424)”.

Als laatste en minst te verkiezen:

Art 38 lid 2 Statuut: In onderling overleg kan worden bepaald, dat zodanige regeling en de wijziging daarvan bij … algemene maatregel van rijksbestuur wordt vastgesteld.

Het grote voordeel van het laatste, dat de anderen ook hebben, omdat het ‘vlees’ in een onderlinge overeenkomst overeengekomen wordt, is dat een AMvRB aan het Statuut en Grondwet getoetst kan worden. Blijkens het Harmonisatiewet arrest kunnen (consencusrijks)wetten niet aan de Constitutie (Statuut en Grondwet) getoetst worden, AMvRB’s wel. De door onder andere mijzelf, alsmede door ex-premier van de Nederlandse Antillen Ettiene Ys en de Raad van Advies Curaçao geuite kritiek op de conceptvoorstel Rijkswet Che kan alsdan, voor zover op het rijkswetsvoorstel COHO van toepassing, door de rechter op haar gegrondheid worden getoetst.

Politieke uitruil

De enige reden die ik me kan bedenken waarom níét een van bovenstaande opties door Knops en kabinet-Rhuggenaath is gekozen, is dat Knops niet zonder aanzienlijk gezichtsverlies, het idee van een rijkswet los kon laten. Knops heeft de Caribische landen immers resoluut en met veel bravoure met zijn ontwerprijkswet Che overvallen. De scherpe kantjes ervan zijn wel aanzienlijk, en in grote mate door coalitiepartner Martina, afgestompt. De dreiging van een lege landskas, dat sociaal-economisch verpletterend zou zijn, speelde ongetwijfeld een grote rol bij de keuze om snel tot een akkoord te komen. Het resultaat: een uitgeholde consensusrijkswet en een staatsrechtelijk overbodig, maar politiek geboden orgaan. Ik ben bang dat er politiek niet meer te halen viel voor Curaçao.

Desondanks wil ik Knops complimenteren voor zijn meegaande houding tijdens de onderhandelingen. Ook na de onderhandelingen heeft hij van zijn goede kant laten zien door op 3 november 2020 met de Staten in overleg te treden (Amigoe 3 november 2020 p. 2), ‘Kolonel’ Knops is niet meer. Tevens moeten de Nederlandse premier Mark Rutte en financiënminister Wopke Hoekstra, volgens Rhuggenaath, voor hun vertrouwen bedankt worden; aanvullend daarop, is het uitzonderen van de Caribische Koninkrijksdelen van het negatief reisadvies een zeer warm en solidair gebaar dat de Curaçaose economie zeer zeker ten goede zal komen.

Afijn, in het belang van Curaçao en in de woorden van premier Rhuggenaath: “Trabou tin” (er is werk aan de winkel)!

 

 

Wil jij geen belangrijk juridisch nieuws meer missen?

Abonneer je op de Mr. Online nieuwsbrief: elke dinsdag rond de lunch een update van het nieuws van de afgelopen week, de laatste loopbaanwijzigingen en de recentste vacatures. Meld je direct aan en ontvang elke vrijdag de Mr. Online nieuwsbrief.

Meld je direct aan >

Over de auteur

Mahatma M. Martinus

Mahatma M. Martinus

Lectori Salutem! Mijn naam is Mahatma M. Martinus (vernoemd naar Mahatma Ghandi). Eerst wat over mijzelf. Op Curaçao geboren en getogen verhuisde ik in 2015 naar Nederland om aan de Universiteit Leiden rechtsgeleerdheid te studeren. Mijn interesse gaat op juridisch vlak uit naar het staats- en bestuursrecht in het algemeen en in het bijzonder, misschien niet verrassend gezien mijn Antilliaanse afkomst, naar koninkrijksrelaties en aangelegenheden. Mijn bachelor-scriptie betrof dan ook het differentiatiebeginsel ten aanzien van de Bes-eilanden met betrekking tot kinderrechten. Vrije tijd probeer ik zo veel mogelijk met lezen te benutten, vakbladen en filosofische werken mijd ik niet.
Op 31 januari 2020 heb ik mijn bachelor afgerond en momenteel volg ik de master Staats- en bestuursrecht. Gedurende mijn studie is mijn interesse in schrijven gestaag gegroeid. Zo tracht ik buiten de studie om zoveel mogelijk te schrijven en ben ik redacteur bij de Leidse Rechtenfaculteitsblad NOVUM Magazine. Schrijven voor Mr. Studenten zie ik dan ook als een uitstekende kans om mijzelf te ontwikkelen en samen met anderen aan (enige) juridische verkenning en verdieping bij te dragen!
Heb je suggesties qua onderwerpen, geïnteresseerd in het ambassadeurschap van Mr. Studenten of interesse om samen iets schrijven? Neem contact met mij op via martinusmahatma@gmail.com.